Ik ben gewoon geworden Liberianen te vragen wat hun lievelingsseizoen is: regentijd, zoals nu, of de stoffige droge maanden. Een kleine meerderheid kiest voor droog – dan kan je tenminste altijd rijden. Maar er zijn er ook die van regentijd houden, van het water en van de gedwongen pauzes als je met z’n allen onder te kleine afdakjes schuilt, of onder krakende en hopeloos inadequate paraplus probeert de droogte te bereiken.
Mijn grootste angst voordat ik hier kwam was die regentijd. Ik stelde me een land voor waarin de douche constant vol aanstaat. Dit was ooit alleen maar regenwoud, en in de maand juli regent het hier meer dan er in de meeste landen in een jaar valt. Luchtvochtigheid is boven 80%, ergens tussen wat nog zwoel genoemd kan worden en extreem drukkend. Inderdaad was toen ik Liberia aanschouwde, van de deur van het vliegtuig, de warme klamme deken van vochtige lucht het eerste wat ik merkte. Maar het went snel, de warmte, het vocht, en de regen ook. Een uurtje droogte is een gift, motregen voelt al als een gift. Binnen zijn als het echte hozen losbarst is een gift. En de regen houdt de hitte weg. Donderdag was er plots zon. Nog afgezien van dat mijn bleke huid dat niet kan hebben, was de brandende hitte buiten onbestaanbaar. Beter dan regen kan ik me dus niet wensen.
Mijn tweede angst van tevoren was voor het dierlijke leven. Muggen zo groot als vlinders die me zouden leegzuigen en me kreupelmakende ziektes zouden bezorgen. Voor ik hier kwam leek me Liberia daardoor een onbewoonbaar oord - het Congo uit Conrads Heart of Darkness. Maar ook dat valt mee. Met de klamboe uit de Hema en de spuitbus van de Etos laten de muggen zich weghouden. De malariapillen verdraag ik goed, dus ook van ziektes ben ik niet meer bang. Mieren zijn wat naarder. Niet de grote, net de kleine rode waarvan je pas door de stekende pijn merkt dat ze over je voet krioelen. Verder bestaat het dierlijk leven in de stad uit vogels en hele grote hagedissen, en magere scharminkels van katten en honden. Die dienen om de ratten weg te jagen, dus ergens zullen die laatsten zich ook wel schuilhouden.
De fauna hier is uitbundig. Overal waar de mensen het toelaten duikelen de planten over elkaar heen. Behalve in ‘downtown’, een dichtbebouwd Amerikaans aandoend grid van een paar hectares, krijgen de planten hier veel ruimte. Groter Monrovia is zo uitgestrekt als, weer, een Amerikaanse stad. Het centrum ligt tussen zee en een erg brede rivier, op de kop van wat effectief een schiereiland is. Het ligt op heuvels. Vandaar naar alle kanten wisselen dicht bebouwde heuvels af met dun bebouwde vlaktes. Op net wat hogere stukken staan daar huizen en/of krotten, de lagere stukken zijn moeras of ondiep water. Hoe verder je van het centrum komt, hoe meer moeras er is en hoe minder huizen, maar echt platteland bereik je pas na bijna een uur rijden.
Ik verblijf in Sinkor, een wijk onder “Capitol Hill”. Dat is de heuvel met het paleis van “Ellen” (zoals iedereen president Ellen Johnson Sirleaf noemt), het parlement, het hooggerechtshof in hun ‘Temple of Justice’, en de universiteit. Aan het randje van de macht, maar we wonen laag en dus tussen de armen.
Vrolijk zijn ze, die armen. Als ik uit huis ga om eten of waterflessen te kopen lachen de mensen, zwaaien de kinderen, willen mannen korte gesprekjes. Liberianen zijn sowieso een blijmoedig volk. Ze lachen veel en vertellen graag hoe goed ze zich voelen en hoe blij ze zijn met de nieuwe dag. Je moet raden waar de pijn zit. Het blije mannetje die met me meeliep om me de route naar de supermarkt te tonen was achtentwintig. Of ie ook een vrouw en kinderen had? Nee, zei hij met een wat gepijnigde glimlach, een vaste baan had hij niet en zonder zou geen vrouw hem ooit willen hebben. Niet lang daarna babbelde hij weer vrolijk over de Hollandse voetbalspelers die hij kende.
Onze chauffeur voor de meeste ritjes is een blijmoedige student. Zijn directe baas is de doorluchtige dr. N., Secretaris Generaal van de Liberiaanse VSNU - waarover later meer. Deze dr. N. doet weinig moeite om te verbergen hoe dom en incompetent hij zijn chauffeur vindt: “Driver, why did you... I told you...”, “Driver, do you understand nothing today?” We waren dan ook meer dan verbaasd toen na een paar dagen de driver terloops liet vallen dat dr. N. niet alleen zijn baas maar ook zijn vader was. Sinds ik dat weet ik zie ik goed hoe hij even verkrampt als hij weer vernederd wordt. Maar hij blijft glimlachen en zogauw zijne excellentie is uitgestapt is hij weer een en al vrolijkheid.
De studenten in de cursus die ik hier geef zijn blijmoedig. Een van de voorbeelden van slecht onderzoek die ik in mijn cursus gebruik gaat over therapie voor getraumatiseerden. Bedoeling is dat de student doorheeft dat als een patiënt aan het eind van de therapie geen last meer heeft van trauma, dit niet noodzakelijkerwijs door de therapie kwam. Ze begrepen het maar niet, dus ik werd wat explicieter: waren er in Liberia mensen die getraumatiseerd waren geweest maar er nu niet meer zo’n last van hadden? Hadden die dan therapie gehad? Een monter mannetje achterin stak zijn hand op en vertelde dat hij Terrible, terrible things gezien had, dat hij daar erg last van had, maar toen had hij zijn familie gevonden en hij prayed a lot en was het weer allemaal goed gekomen. Instemmend gemompel, ja eigenlijk waren ze allemaal wel getraumatiseerd geweest in de oorlog, en er nog last van, nee. Gelach.
De enige niet zo blijmoedige is Emmanuel, de lokale organisator van het project waarvoor ik hier zit. De zorgen maken rimpels in zijn gezicht – waar andere Liberianen er eeuwig jong uitzien heeft hij groeven voor meer dan z’n jaren. De last die hij moet dragen is succes, maar meer nog competentie. Hij beheert de kas van het project. Om de haverklap staan er boze mensen op zijn stoep. Schoonmakers die vinden dat ze wel een extraatje verdienen nu er westerlingen op hun verdieping rondlopen. Onze hoteleigenaar, die weliswaar heeft getekend om de helft van het geld achteraf te krijgen, maar toch alles nodig heeft en wel direct. Emmanuel is het die hun af moet poeieren. Emmanuel is het die pijlsnel deelnemers moet regelen voor de cursussen als op de eerste dag, maandag vorige week, blijkt dat alle deelnemers die al weken vastlagen toch niet zijn komen opdagen. Emmanuel is het die zich schaamt als blijkt dat de band die was ingehuurd voor live muziek blijkt te bestaan uit een mannetje met een Michael Jackson-CD. Het is zwaar hier als je dingen gedaan wilt krijgen. Ik kon dat navoelen toen ik vandaag het uur van de lunchpauze had om dertig printjes te maken, en het ondanks een bataljon computers (vier!) maar net op tijd lukte om de printer aan de praat te krijgen. Of eigenlijk was ik niet op tijd, maar dankzij de incompetentie van de restauratie was de lunch even veel uitgelopen als mijn geprint.
Dat is Afrika. Alles begint en eindigt te laat. Alles is op als je bij de winkel bent gekomen. Alles is kapot of gaat kapot net als je het nodig hebt. De auto, de bus, je computer, internet, telefoonservice, corruptie-onderzoek, elektriciteit, je gezondheid (stromend water gaat nooit kapot: het is er gewoon niet). Sommige mensen worden er gek van, anderen vinden dat charmant. Dr N. zei vanochtend, terwijl ik haast explodeerde over de printproblemen: “You know, this is Africa, when things go right here it is only by accident.” Daar moest ik om lachen, en nog geen tien seconden later begon de printer waar ik anderhalf uur aan had zitten prutsen te ratelen.
Zou ik het goed doen in Afrika? Zo voor twee weken vind ik het heerlijk. Ik ben niet overmatig drukdoenerig en kan goed wachten als er veel om me heen te zien is. Menselijke fouten in het open daglicht (zie dr. N. hieronder) vind ik eerder interessant dan storend. Geen stromend water hebben was de eerste dagen zwaar: douchen zoals in de oertijd met een schotel water die je over jezelf giet. Nu weet ik hoe ik het moet doen zonder eerst een hartaanval te krijgen van de kou, en kan ik zonder al het water op te maken redelijk schoon te eindigen. Nauwelijks contact hebben met Daniela en geen met Clara vind ik ook niet leuk. Maar alle ongemak valt in het niet bij hoe fascinerend ik het hier vind. Dat prachtige contrast tussen uitbundige natuur en krotten, tussen optimisme en ellende, tussen openlijke vriendelijkheid voor vreemden en private hardheid voor familie en vrienden, tussen modern doen en traditioneel zijn.
Van dat laatste is dr. N een prima voorbeeld. De Liberiaanse VSNU is ongeveer een jaar geleden opgericht door de zeven Liberiaanse universiteiten. Daar is hij, een wat oudere, gemoedelijke man met een lui oog, dus Secretaris Generaal van. Zijn kantoor heeft drie bureau’s; twee daarvan zijn tijdelijk overgenomen door de organisatie die mij hierheen heeft gehaald. Wij zitten daar ook vaak. Al die tijd troont dr. N achter zijn bureau. Hij belt eens, babbelt met de aanwezigen, regelt een chauffeur (zijn zoon), windt zich op over het feit dat de lunch te laat is. En hij zit. Kijkt voor zich uit. Bladert doelloos door zijn papieren. Het valt pas op als je zelf enige tijd hebt zitten wachten in dat kantoortje: hier resideert een man die absoluut niets om handen heeft. Hij is directeur van een lege huls. De universiteiten betalen zijn VSNU, zoals ongetwijfeld ook in Nederland het geval is. Alleen blijkt hier dan dat maar een van de zeven daadwerkelijk met geld over de brug komt. Van de staf van vier hielden drie mensen het dus al snel voor gezien omdat ze maar niet betaald werden. Nu zit dr. N Secretaris Generaal te zijn in zijn volstrekte eentje (de ene universiteit die wel betaalt is zijn oude werkgever, en ik vermoed dat hem kwijt zijn daar een rol in kan spelen).
Maar dr. N heeft een goede babbel. Hij maakt grapjes die vaak plat zijn maar af en toe subtiel, hij praat over politiek en over zijn tijd in Frankrijk en kankert op zijn land. Maar toen troffen we hem bij toeval in het lokale Business Center. Het stikt hier van de Business Centers, vaak met kleurrijke namen als “God’s own Business Center” of “All is Well Business Center”. De term dekt niet helemaal wat het bij ons zou zijn: het zijn winkeltjes. Soms met wat tafeltjes voor gasten, maar als dat er teveel worden heet het “Entertainment Center” (daar zijn er ook veel van). En daar zat de SG dan, niet meer achter een groot bureau maar met een pot bier op houten bankjes tussen zijn vrienden. Het was een andere man, vol guitige opmerkingen over drank, over vrouwen, en met liefde pratend over verschillen tussen de stammen van Liberia.
Die man zagen we ook in zijn eigen huis toen we daar zondag waren uitgenodigd. Zijn huis was vol: met zijn eigen kinderen (onduidelijk hoeveel, ik schat vijf), met zijn broer en diens kinderen, en zelfs een kleinkind van de broer. Wij mochten in de zithoek. De rest van de familie bleef op afstand, vooral in de keuken maar ook in de woonkamer om op gepaste afstand naar ons te kijken. Vanop zijn bank brulde dr. N dat er drankjes moesten komen. Daarna dat het eten eens op moest schieten. Een jonge vrouw slofte lusteloos heen en weer om hem en ons te bedienen. Bier op tafel, water, de fufu en soep van het voorgerecht, dan de rijst waar we al lang te vol voor waren. Was dat zijn vrouw? Hij behandelde haar als een sloof. Ik vroeg het maar gewoon. Het viel mee (maar nauwelijks): het bleek zijn oudste dochter. Hij was, vertelde hij, twee keer gescheiden. Waar woonden die vrouwen dan? Ver weg, eentje in “the interior”, de andere in een uithoek van Monrovia. Zagen ze hun kinderen? Dr. N vond dat duidelijk een stomme en storende vraag. No, I wouldn’t allow that. Kinderen horen bij de vader. Misschien mogen ze nog even bij mams blijven tot ze zeven zijn maar dan is het afgelopen. Zou hij weer hertrouwen? Nee, nu had hij vrouwen alleen over voor een dag of twee, en dan stuurde hij ze weg voor ze problemen zouden veroorzaken. Alleen maar problemen, die vrouwen. Laatst, vertelde hij gniffelend, was er eentje blijven slapen die om vijf uur ’s ochtends had gezegd dat ze weg wilde. Heel goed, had hij gezegd, precies het goede moment voor een vrouw om je weer met rust te laten. Het gesprek kabbelde voort en kwam op zijn dochter. Tijd voor haar om ook vort te gaan. Zogauw ze zwanger was zette hij haar op straat. Dan moest ze maar naar haar vriend toe. En als die dat niet wilde? Dat was haar zaak, hij had haar goed opgevoed en als ze dan zo dom bleek zwanger te worden was ze op haar zelf. Wij waren geschokt. Dr. N kauwde onbewogen voort op een stukje boonvis.
Dat ‘wij’ is overigens geen pluralis majestatis. Ik geef hier de cursus Onderzoeksmethoden. Jeff uit Amerika geeft Onderwijsmethoden. Steffie uit Nederland moet zorgen dat ons project niet ontspoort en moet verder het volgende project van de grond krijgen. Ze zijn prettig gezelschap. Het is leuk samen te koken en te eten, te babbelen over alle landen waar we al zijn geweest, en vooral om observaties over hier te kunnen bespreken. Het is makkelijk, we delen een achtergrond. Feitelijk zijn we onze eigen kleine stam tussen de andere stammen van Liberia. De Krahn, Ba, Kpelle en Mandingo, de Libanezen die hier om god weet welke reden al generaties wonen, de VN’ers en diplomaten in hun airconditionkantoren en veel te grote SUVs, de Nigerianen en Bangladeshi van de vredesmacht, de consultants en de NGO’ers die de markt voor huizen en talent verpesten. Allemaal stammen met hun eigen hoekje, en wij hebben het onze. Ons hoekje is in de uni, in het guesthouse waar we ingekwartierd zijn, en in de grote straat die ik elke dag heen en weer loop voor een boodschap of gewoon om maar wat te lopen. Daar kennen de leden van de andere stammen me inmiddels. Ze zwaaien, ik zwaai terug, de kindjes schreeuwen ‘white man!’. Ja, dat is mijn stam. Die van witte man die over de straat loopt in plaats van rijdt in witte VN-tractor. Die op ontwikkelproject goed aan het doen is. Of, alternatieve interpretatie, op vakantie is en ongegeneerd om zich heen staart.