Vergeven

Modern Monrovia lijkt een stad waarin barbaren huizen tussen de ruines van een vergane beschaving, een beetje zoals middeleeuws Rome maar een onbeduidend stadje tussen de ruines van de enorme Romeinse rijkshoofdstad. Het guesthouse waar ik logeer staat in een buurt waar ooit chique huizen stonden. Om de hoek leidt een prachtige wenteltrap naar helemaal niets: de tweede en misschien wel derde verdieping van wat ooit een mansion was is verdwenen. Op de begane grond van dat huis kampeert een familie in de kamers die nog een dak hebben, met vuile doeken in wat ooit ramen waren. Sommige huizen, ze zien eruit alsof het ooit prachtige villa’s waren, zijn ruines geworden. Daarin hebben mensen golfplaten krotten gebouwd. In downtown zijn de meeste hoge gebouwen uitgebrand en verlaten, lugubere karkassen die niets van doen hebben met het uitbundige leven op straatniveau. In de rivier roest een ingestorte brug weg. In badkamers zitten kranen waar al jaren geen water meer uit komt.

 Zulke kranen zitten er ook in ons guesthouse. In onze badkamer staat een luxueuze douchecel, maar als je erin staat moet je nu in een plastic ton putten en koud water over je heen gooien. We slapen in een architectonisch verantwoord bijgebouwtje van wat een mooie villa zal zijn geweest. Ooit kwam je binnnen via een indrukwekkende trap vol schelfmozaïeken, nu mondt die uit op een blinde muur. Over de marmeren vloer is vies tapijt gelegd, misschien om hem te sparen voor de goede tijden die ooit zullen terugkeren. De garages zijn raamloze kantoorkrochten geworden, auto’s parkeren waar ooit de tuin zal zijn geweest.

 De ingestorte beschaving die dit alles heeft achtergelaten is de operetterepubliek van de Americoliberians. Liberia werd een honderzeventig jaar geleden gesticht door vrijgekochte Amerikaanse slaven, op initiatief van quakers en slavendrijvers die het wel een goed idee vonden als die disruptieve vrije zwarten ‘terug naar huis’ gingen in Afrika. De eerste jaren viel het de nieuwelingen zwaar te overleven in de moerassige jungle, maar toen ze enigszins immuun waren voor malaria en knokkelkoorts zetten ze zich aan het opbouwen van een land naar het enige voorbeeld dat ze kenden. Ze schreven een grondwet zoals die van de Founding Fathers, kozen een president en een senaat en een huis van afgevaardigden, bouwden Amerikaanse plantagehuizen, en legden Amerikaanse lanen aan in steden genoemd naar Amerikaanse presidenten. Hun Amerikaanse namen hadden ze meegenomen, hun Amerikaans engels, en gewoontes als het tellen van de tijd in ‘parlementen’ (ze zijn nu aan hun fifty-sixth congres). Maar ze namen nog iets subtielers mee uit de VS. Ze waren natuurlijk niet geland op maagdelijke bodem: er woonden Afrikanen, verdeeld over zestien stammen. De Americoliberians, nooit meer dan vijf procent van de bevolking, hadden weinig op met deze natives. Behalve als werkkracht. Nog in 1930 verkocht de staat haar natives als dwangarbeiders aan plantagehouders in Guinee Bissau. In de trotse republiek Liberia, baken van vrijheid op de Afrikaanse kust, was zo 95% van de bevolking rechteloos.

 In de jaren veertig begon het leven wat makkelijker te worden voor de oorspronkelijke bevolking. Een nieuwe president, William Tubman, opende de ramen. Er werd geïnvesteerd in wegen, plantages, waterleiding en elektriciteit, een luchthaven, auto’s, beter onderwijs, betere huizen. Uit die tijd stammen de prachtige villa’s om ons heen, en al die nu loze kraantjes. Met alle ontwikkeling kwam ook een modicum van vrijheid in het land. Tot Tubman op een gegeven moment een verkiezing –nog steeds enkel onder zijn eigen Americoliberians- dreigde te verliezen, toen draaide hij de duimschroeven snel aan. Het is eigenaardig om oud beeldmateriaal van die man te zien: een operettepresident, met hoge hoed en sigaar, die in elegante taal evidente nonsens debiteert over de Liberiaanse democratie.

 Tubman hield het dertig jaar vol en werd opgevolgd door zijn vice-president Tolbert. Maar oliecrises maakten een einde aan de groei, en een steeds groter wordende native middenklasse begon te morren. Voor het eerst moest het leger de straat op om rellen de kop in te drukken. Voor iedereen was nu duidelijk hoe wankel de macht van de Americoliberians was. Nog geen jaar later nam een groep onderofficieren het presidentieel paleis over, schoot Tolbert dood en voor de goede orde ook maar alle vooraanstaande Americoliberians. Ze installeerden sergeant Samuel Doe als president. Die had, met net lagere school, werkelijk geen flauw benul had wat regeren inhield, behalve dan dat je de grootste auto krijgt en met je vriendjes uit de staatsruif mag eten. Maar in het begin was hij wild populair: de held die de Liberianen van een gehaat regime had verlost! Doe hielp in tien jaar de economie om zeep, en veroorzaakte, door steeds sterker op zijn eigen Krahn en hun Mandingo-maatjes te leunen, de eerste tribale oorlogen in een eeuw.

 Zo was aan het eind van de jaren tachtig de tweede bevrijder al even welkom. Charles Taylor had van Libië een legertje guerrilla’s gekregen. Toen hij daarmee de grens overstak sloten zich in rap tempo mannen, vrouwen en kinderen bij hem aan, die na een minimale training van een paar weken ook naar het front mochten. Al snel bleek Taylor geen Castro of zelfs maar een Savimbi. Terwijl zijn rebellen het legertje van Doe voor zich uit dreven richting Monrovia, sloegen brigades kinderen onder de coke aan het moorden en plunderen. Binnen een paar maanden hadden ze meer mensen over de kling gejaagd dan Doe in tien jaar.

 De rest kent iedereen uit de krant. Doe hield het nog jaren uit in een klein stukje Monrovia, Taylors overwinningen riepen weer nieuwe rebellieën op. Het moorden werd ondertussen steeds grotesker. Uiteindelijk viel Doe bijvoorbeeld in handen van een luitenant van Taylor die voor zichzelf begonnen was. Waar Doe vijftien jaar eerder zijn voorganger simpelweg had laten executeren, liet deze Prince Johnson nu Doe eerst castreren en dan doodmartelen.

 Voor ons, gewend aan ideologisch verschillen, blijven het een beetje operette-oorlogen. Legertjes met operettenamen als Independent National Pattriottic Front of Liberia namen het op tegen de al even bizar genaamde National Patriottic Reconstruction Assembly Gorvernment (NPRAG), die ook vocht tegen de United Liberation Mouvement (Ulimo) tot die zelf uiteen viel in Ulimo J en Ulimo K (naar hun warlords Johnson en Kromah). De leiders van al die in essentie tribale milities zie je op oude beelden operette-toespraken houden over hoe ze vechten to liberate de people, en natuurlijk voor justice. Pas daar in het land hoor je dat Ulimo K de Mandingo zijn en Ulimo J de Krahn, en dat die gewoon weer wilden plunderen zoals in Doe’s tijd.

 Liberia’s buren grijpen in, maar weten eigenlijk alleen Monrovia veilig te houden. Na eindeloos onderhandelen mogen Liberianen in ’97 stemmen over wie er aan al het geweld een einde moet maken. Tot schrik van de wereld kiezen ze voor Taylor, misschien uit angst, misschien omdat Taylor onmiskenbaar charmant en populair was (mijn studenten waren het daar niet over eens). Na een aantal jaar mismanagement staan er weer nieuwe milities op om Taylor eruit te gooien. LURD (weer de Mandingo) en MODEL (weer de Krahn) marcheren snel het land door, en nu is Monrovia aan de beurt om geheel in puin te worden geschoten. In 2003 is alles in het land kapot. Taylor geeft op, er komt een VN-veiligheidsmacht, en langzaam keert de rust terug. Sinds 2005 heeft Liberia een vrouwelijke president die van aanpakken weet: Ellen Johnson Sirleaf. Populair over de hele wereld, alleen in Liberia blijft het wat achter.

 Anderhalve eeuw mismanagement en daarna twintig jaar oorlog. Doe is dood, Taylor zit vast in Scheveningen . De andere actoren zijn er nog: na 2003 is niemand geëxecuteerd, doodgemarteld of opgegeten (wat er, zegt men, met een eerdere vijand van Doe is gebeurd). Of zelfs maar gevangen gezet. Een paar zijn parlementarier geworden. Warlord Kromah, van het opensnijden van zwangeren (zegt men), blijkt een verdieping boven mijn klaslokaal te resideren als professor in Internationale Relaties. Taylors oude minister van buitenlandse zaken heb ik zelf zien lesgeven. Hij is steenrijk, als eigenaar van het derde mobiele telefoonnetwerk in den lande (toen ik m’n verbazing daarover uitte bleek dat Taylor zelf grootaandeelhouder is in het sterkste netwerk). Er wordt hier ook niet aan hernoemen gedaan. Tubmanburg is niet JohnsonSirleafburg geworden, Tolbert Farms is nog Tolbert Farms, het voetbalstadium heet onveranderd naar Samuel K. Doe en de markt bij ons in de buurt naar zijn vrouw.

 Wat bezielt Liberianen om naast hun moordenaars te wonen en ze zelfs het parlement in te stemmen? Tijdens een college over opiniepeilen probeerde ik een Liberiaanse pendant van Janmaat te vinden, een man die zelfs voor zijn eigen stemmers te controversieel is om in een peiling als voorkeur op te geven. Prince Johnson, die operettecastrator met rastakapsel wiens militie een stuk Monrovia had platgeschoten? Nu is die senator. Niemand durft er toch voor uit te komen op zo’n man te stemmen? Wel hoor, lachte mijn klas, zijn stemmers hadden volstrekt geen schaamte: Prince Johnson was hun man (meteen ruimden ze maar een ander misverstand uit de weg: hij had zichzelf niet prins verklaard, zijn moeder had hem gewoon die voornaam gegeven). Taylor dan. Nog grotere hilariteit. Als Nederland hem zou laten gaan, zou half Monrovia naar de luchthaven snellen om hem toe te juichen bij zijn terugkomst. Daar had ik natuurlijk weinig begrip voor. Hoe kon dat nu, vernietig het land en ben populair? Probeer het weer op te bouwen, zoals Ellen Johnson Sirleaf, en je wordt hoogstens geduld. Later legde Emmanual, ons belangrijkste lokaal contact hier, uit waarom het volk van Taylor hield en niet van ‘Ellen’. Van Ellen zagen ze geen verbetering komen: haar werk was veel te langetermijn, en voor de armen had ze teveel loze praatjes. Good governance vult vandaag geen maag; Taylor deed daar dan ook niet aan. Die pakte honderdduizend dollar, reed door Monrovia in z’n SUV en gooide het geld uit het raam. Goedkoper dan een nieuwe school of een gerepareerde weg, en er zijn meer mensen blij mee.

 Gisteravond trof ik een Amerikaan die vertelde over mob justice. Je moet hier niet betrapt worden op diefstal zonder een politieman in de buurt. De massa jaagt je achterna tot ze je hebben, en dan kan je blij zijn als je het er levend vanaf brengt. Nu liep er een Liberiaan, net terug uit Amerika, over Waterside, de grootste markt hier. In een man die op de grond wat verkocht herkende hij plots de moordenaar van zijn beide ouders. Hij liep op hem af en zei: “Jij hebt mijn ouders vermoord!” De man schrok en zette het op een lopen. Meteen kwamen mensen uit de omgeving erbij staan: “Een dief? Een schurk? Moeten we hem pakken?” “Het is de moordenaar van mijn ouders!”. “Oh, is het dat maar; let bygones be bygones!”, en de massa zette zich weer aan het inkopen.

 Let bygones be bygones, laat het verleden rusten. Zo wil de wereld het niet, en toevallig kwam deze week de rekening. In de vorm van Taylors getuigenis voor het gerecht in den Haag, die hier uit de kranten wordt gespeld. Maar meer nog in de vorm van het rapport van de TRC, de Truth and Reconciliation Commission. Gemodelleerd naar degene die in Zuid Afrika de misdaden van Apartheid op een rij zette, en aanbeval wie er zo erg gezondigd had dat er geen amnestie kon zijn. Zo was het hier ook. De TRC had op een rij gezet wat er allemaal was gebeurd. En wie daar zoveel schuld voor droeg dat van vergeving niet meer kon. De meeste warlords, vond de commissie, verdienden vervolging. Maar daarnaast waren er mensen die hen geholpen hadden. Ze moeten misschien niet zelf voor het gerecht, maar wel van politiek uitgesloten worden. Bovenaan die lijst: Ellen, huidig president.

 In de internationale media, hoorde ik van Daniela, sloeg dat laatste in als een bom. Maar hier was het eerst het idee dat de warlords moeten worden berecht dat schokte. Vooral de warlords zelf: op een inderhaast belegde persconferentie zaten de vijanden van weleer gebroederlijk naast elkaar, om toch vooral te benadrukken dat er vergeven en vergeten moest worden. Zijn senatoriële eminentie Prince Johnson mompelde donker dat de TRC Liberia terugvoerde naar de oorlog. Woede over dat dreigement, en de vraag of warlords inderdaad in de gevangenis hoorden, hielden even heel het land bezig. Pas na een paar daagjes begon het te dagen dat het eigenaardig is dat zo’n commissie een zittend president wegstuurt. Haar werd daarbij haar alleen voor de voeten geworpen dat ze Taylor steunde in de tijd dat iedereen hem steunden (namelijk toen hij de redder der natie leek die Doe weg zou sturen).

 Voor elk college hebben we een gecaterd ontbijt met alle studenten. Dat is om te zorgen dat ze op tijd komen – de hoop is dat ze niet graag gratis eten overslaan. Ontbijt hoort te beginnen om half negen, met dan college vanaf negen uur. Dat is nog geen enkele keer gelukt. Vandaag, op de laatste dag, was het wel bijzonder laat: met wat studenten hing ik anderhalf uur rond in de kantine voor we het opgaven en maar met lege maag aan college begonnen. Om de tijd te doden begonnen de studenten een discussie. Dat doen ze vaker; de week ervoor hadden ze bediscussieerd of Adam van God alle beesten had mogen eten in het paradijs, of dat hij de wilde beesten met rust moest laten. Liberianen houden van discussiëren en doen het met verve en passie: soms staan ze zo te schreeuwen tegen elkaar dat je elk moment een vuistslag verwacht. Maar die komt niet, of in ieder geval niet terwijl ik erbij ben. Nu ging het over de TRC: moest Ellen inderdaad opstappen? Geestdriftig gesticulerend, schreeuwend, maar ook iedereen netjes hun beurt gevend, legden de studenten de verschillende kanten van de zaak voor. De TRC was te ver gegaan. Nee, had precies gedaan wat moest, nee, was nog te zacht geweest. Al die onrust was slecht voor de verzoening in het land, zei een wat oudere man. Nee, rechtvaardigheid was net een voorwaarde voor verzoening, antwoordde een gepassioneerde jongere.

 Ja, dat laatste is wat we nu geloven. Eerst berechten en dan verzoening. Feitelijk zijn we eind jaren negentig begonnen aan een wereldwijd experiment: elke orgie van geweld krijgt nu zijn eigen Neurenbergproces. We berechten de Doe’s, Taylors en Prince Johnsons in plaats van ze, zoals vroeger, oud te laten worden in een villa aan de Cote d'Azur. Uiteindelijk doen we dat met een duidelike hoop: dat toekomstige Doe’s, Taylors en Johnsons wel drie keer nadenken voordat ze de kindsoldaatjes ontketenen.

 Een beetje zoals Amerikanen geloven dat de doodstraf moordenaars afschrikt. Amerika heeft nog altijd vier keer onze murder rate. 

Terug