The interior

In Monrovia heet het The Interior, de 99% van het land buiten de metropool. Tegenwoordig woont bijna de helft van de Liberianen in de hoofdstad en z’n omgeving, maar dat is nog maar net zo: bij elke golf militieleden die over land spoelde sloegen weer meer vluchtelingen in de hoofdstad neer. Bewoners van de hoofdstad hebben dan ook allemaal banden met the interior. Ze zijn trots op de regio waaruit ze stammen, hebben daar familie en soms een tweede leven. Een student in mijn cursus vertelde me dat hij in the interior 300 hectaren grond bezat. Dan was hij rijk!, mompelde ik. Nee hoor, land was daar niets waard. Maar ooit zou hij er een grootse boerderij beginnen en zijn hele familie onderhouden.

 Zaterdag gingen we dat interior verkennen. We zijn driekwart van de breedte van Liberia door gereden. Groot is het niet: als de weg niet zo slecht was geweest hadden we er misschien twee en een half uur over gedaan (het werden er vier heen, en vijf terug toen in het donker de gaten in de weg geraden moesten worden). Liberia is als elk land: wat in de ogen van de locals andere werelden zijn, is voor buitenstaander vooral meer van het hetzelfde met kleine verschillen. Als je de stad uitrijdt wordt het langzaam leger, de dorpjes en huizen staan verder uit elkaar, en ze worden steeds meer hutten en gehuchten. Daar tussendoor vooral bomen. Toch wil het maar geen jungle worden: wat bos leek bleek rubberplantage, wat bos was werd duidelijk gestroopt voor hout en leek op savanne. Hier maakte een volk serieus werk van de exploitatie van zijn land. Maar het was mooi, dat bijna natuurlijke landschap dat uren aan ons voorbijzoefde.

 En het voordeel van lang in de auto zitten is dat je veel kan praten. We waren met ons drie wandelwitten, lokale coördinator Emmanuel als gids, en de chauffeur, een verschrompeld oudje die met zo’n sterk accent sprak dat we hem niet konden verstaan. Emmanual had een een grote toyota tractor gehuurd met geblindeerde ramen, en daar hoorde deze chauffeur bij. Dat gaat makkelijk: waarschijnlijk was de benzine duurder dan een dag werktijd van deze man.

 Van Emmanuel (en van de chauffeur op momenten dat ik hem verstond) hoorde ik in die uren rijden veel over Liberia. Uit het raampje kijken was misschien nog meer een spoedcursus Afrika. We zagen absurd volgeladen vrachtwagens, of op weg naar of uit Guinee; in dat buurland zijn sommige dingen goedkoper (landbouwgewassen, zelf geweven stoffen) en andere dingen weer duurder (balen geïmporteerde tweedehands westerse kleding; sowieso is in Liberia het verdelen van onze afdragertjes uit de Kika-containers big business). We zagen kindjes achter stapels ananas zitten voor de  verkoop aan automobilisten. We zagen een omgevallen vrachtauto op de weg liggen waar kennelijk al een tijd iedereen omheer reed. We zagen de VN-soldaten die het “Welcome in the Bangladeshi sector!”-bord bewaakten alsof het een ijzeren gordijn was. We zagen spoorbomen over de weg waar soms politie achter stond en soms wat jongens. Die wilden allebei ze een beetje geld, maar als ze zagen dat er witten in de auto zaten mochten wij door (volgens Emmanuel deden witten moeilijk over het betalen van steekpenningen, en werden ze daarom maar niet gevraagd).

 We hoorden ook over Emmanuel zelf. We bleken met een prins in de auto te zitten. Zijn vader was een chief bij de Kpelle, de grootste stam van Liberia. Een tijd was hij zelfs chief of chiefs geweest, voorzitter van het stamhoofdenoverleg. We hadden meteen overspannen fantasieën over het hof van Shaka Zulu, maar zo was het niet. Trouwens, Emmanuel zag zijn vader weinig: die vond hem ‘te westers’. Hij was de zoon van zijn vaders tweede vrouw. Een tijd was het goed geweest tussen vader en moeder. Maar toen er een derde en een vierde vrouw waren gekomen had zijn moeder de benen genomen naar Monrovia. Haar zoon wilde ze in de stad op school doen, niet laten verzanden als zijlijn in een steeds uitbreidende stamhoofdenfamilie. Als zijn vader hem nu sprak was het om geld te vragen. Hu, een koning die om geld vraagt? Ja, glimlachte Emmanuel, hij had een boel kinderen om te onderhouden. En als je stamhoofd bent zijn er een boel mensen die kadootjes verwachten.

 Af en toe stopten we. Bij de villa van oud-president Tubman. De villa zelf was bescheiden genoeg en in goede staat. Maar in het woud erachter kon je tussen de bomen de resten zien van wat toen zijn gigantische privee-dierentuin was. Alsof je keek naar overgroeide Aztekentempels (waren dat ook gewoon kooien geweest voor de huiskrokodillen van de president?). Later stopten we bij een klein dorpje waar de chauffeur iets wilde afgeven aan zijn zus. We maakten van de gelegenheid gebruik om de palmwijn te proeven van wat meisjes aan de weg. Hilarisch vonden ze dat; er ontstond al een druk gekwetter toen er plots witten uit de auto met de geblindeerde ramen stapten. Van alle kanten snelden kinderen toe. De vrouwen maakten ruzie bij wie wij de palmwijn zouden kopen, maar Emmanuel koos resoluut voor de dichtsbijzijnde jerrican (ja, daar wordt het uit verkocht – benzine, veel waardevoller, verkopen ze in grote glazen potten). Ik moest proberen. Het leven van een ontdekker gaat niet over rozen – zelfgemaakte palmwijn bleek te smaken naar jenever aangelengd met azijn. De nog steeds groeiende menigte vond het schitterend dat hun palmwijn door zulke rare vreemdelingen werd gedronken. Dat wilden ze wel van wat dichterbij bekijken, en niet voor het laatste begon de opdringende massa nieuwsgierige Afrikanen wat beangstigend te worden. Gelukkig kwam de chauffeur snel terug.

 Het doel van de reis was een waterval die in lang vervlogen goede tijden een toeristenattractie was geweest. Daarvoor moesten we van de weg af bij Cuttington University, de enige private universiteit van het land. De decaan van de business school aldaar, een vriend van Emmanuel, zou ons begeleiden; we mochten zelfs nog kort kennismaken met een universitaire vice-president.

 Daarna was het nog twintig minuten over modderpaadjes, en toen waren we er. De waterval was mooi; niet zozeer om het vallend water dat ik toch wel indrukwekkender heb gezien, maar omdat we eindelijk in echt oerwoud stonden. Het duurde even voor ik me dat realiseerde, dat ik hier, aan het water, in een echte jungle keek. Hier waren geen bomen omgehakt, geen veldjes leeggemaakt, geen rubberbomen geplant. Eerst voelde ik diepe teleurstelling. Ik zag planten, veel, over elkaar heen, en bomen, hele hoge, en donkerte. Er was een paadje waardoor ik de jungle in kon lopen. Ik zag nog steeds hoge bomen en planten, wat minder nu omdat het donkerder was. Was dit nu het oerwoud, dat waar ik als kind al naar had verlangd? Toen realiseerde ik me dat je door het oerwoud in te lopen hem niet meer ziet. Jungle is als een luchtbel: je moet er van een afstand naar kijken; als je hem probeert vast te pakken wordt je hand nat. Welke van mijn kinderdromen zijn nog meer luchtbel?

 Misschien dat deze levensles mijn bestaan nog om gaat gooien, maar toen ik daar was vond ik Cuttington University heel wat indrukwekkender. Het is meer een hogeschool dan een universiteit, en zeker geen Harvard-bij-de-Waterval. Maar na een week in de chaos van University of Liberia’s campus, vol vervallen gebouwen en bezaaid met kapot meubilair, was de ordentelijkheid die van Cuttington afstraalde een openbaring. De campus was ruim opgezet, met simpele, adequate gebouwen op nette gazons. De vice-president was rustig en bescheiden, en straalde competentie uit. Weer een punt voor de private sector, dacht ik.

 Sowieso maakt de derde wereld een kapitalist van je. Het is niet echt zo dat in een land als Liberia niets functioneert. De bierbrouwerij doet het (die is de enige die ongeschonden Afrikaanse burgeroorlogen overleeft, glunderde dr. N. later). Mobiele telefoonnetwerken functioneren. Dat is een wonder: in het hele land moeten zendmasten gebouwd worden en in bedrijf gehouden zonder betrouwbaar stroomnet (het ziet er raar uit: tussen de krotten of in de jungle zie je plots een stukje eerstewereld-technologie met erop een mast en er omheen een heel hoog hek). De telcoms moeten dat netwerk bouwen, zelf personeel opleiden voor al hun functies, een distributienetwerk voor beltegoed opzetten, en dat alles voor zo weinig geld dat de armen het telefoneren kunnen betalen.

 Alleen de staat, die wil maar niet deugen. Privaat Cuttington werkt, publieke Univ of Liberia niet. Een mooier voorbeeld van privaat versus publiek gaf dr. N. een dag later. Hij gaf hoog op van de kwaliteit van John F. Kennedy, het grote publieke ziekenhuis in Monrovia. JFK had de beste dokters, en uitmuntende zorg! Voorzichtig vroeg ik of er ook private ziekenhuizen waren. Ja, die waren er. En of de rijken, als ze ziek werden, naar de private ziekenhuizen gingen of naar JFK. Gelach, natuurlijk gingen die naar de privé-ziekenhuizen. Dr. N. had al wat biertjes op, dus hij ging in een moeite door. Zelf zou hij nog niet naar JFK gaan als hij op sterven lag. Als zijn kinderen hem daarheen zouden brengen en hij zou het overleven, zou hij ze subiet onterven. JFK, dat wist iedereen, stond voor Just For Killing! Weer gelach, en weer een punt minder voor de publieke sector.

 Terug naar Cuttington. We hadden een wat ongemakkelijke lunch bij de decaan van de Business school thuis, laat ik hem drs. G noemen. Het was een bolle man, die zichzelf duidelijk hoog had zitten. In zijn volle huis waren hij en wij de enigen die te eten kregen, rondgedeeld door een stille vrouw waar hij niet bijzonder aardig tegen was. Dat maakt ons witten ongemakkelijk. Daarna reden we naar Gbangba, de grootste stad in het binnenland en jarenlang de hoofdstad van Charles Taylor. Het bleek een uit de kluiten gewassen dorp te zijn, met eindeloze rijen huizen en winkels en bars zonder duidelijk midden of grens. Taylors paleis op de heuvel was een groot uitgevallen bungalow. Hier gingen we nog een hapje eten met drs. G., in het restaurant van de nicht van zijn halfbroer of iets dergelijks. Tot dan toe hadden we alleen beleefdheden uitgewisseld met drs. G, maar nu hij hier zat, aan zijn tweede middagmaal en bij een grote pot bier, wilde hij wel vertellen. Drs G. had iets dat we nog nooit gezien hadden in Liberia: hij zat in een rolstoel. Liberia is geen land van afgehakte ledenmaten. Je ziet veel blinden met ogen wit van de staar, maar gehandicapten zijn er niet of zitten binnen. Dat laatste, kon drs. G ons verzekeren.

 Drs. G. was een gelukkig kind geweest in een groot gezin. Op zijn elfde had hij een prik gekregen in zijn billen. Niet lang daarna was hij ziek geworden; zijn ledenmaten begonnen oncontroleerbaar te trillen. Hij ging naar bed om nooit meer op te staan: zijn benen deden het niet meer. Die prik moest het geweest zijn, vond drs. G nu, maar in landelijk Liberia was weinig geduld voor medische verklaringen. Verlamming is hekserij, en iemand moet er voor gestraft worden. De heks die het gedaan heeft natuurlijk, maar ook het slachtoffer dat ongetwijfeld de vervloeking over zichzelf heeft afgeroepen. Hoe de heks wordt gevonden weet ik niet, maar hier wist de familie al snel wie het was. G’s lievelingszus, iets ouder dan hij, had de vloek uitgesproken omdat G. haar had bespied tijdens het baden. Het meisje werd getuchtigd, en voortaan als voetveeg en outcast behandeld. G. moest het huis uit, verstoten zoals alle gehandicapten. Dat vond zijn vader tenminste, maar z’n moeder stond op voor haar lieveling: nee, G. kon niet op straat gegooid! Goed, vond de vader, maar dan moest de moeder maar voor hem zorgen. Met takken werd iets gebouwd waarmee hij zich naar school kon slepen. Geholpen door zijn moeder, maar genegeerd door vader en broers en gehaat door zus de heks, redde G zich door school. Hij viel op door goed leren, en won een beurs van paters voor de middelbare school en een rolstoel.

 Het ging niet vanzelf: in de jaren van de burgeroorlog had een soldaat een lolletje uitgehaald met zijn rolstoel en nu sleepte G. zich, vertelde Emmanuel, op zijn ellebogen door de straten voort op zoek naar eten. Maar hij hield vol. Middelbare school. Universiteit. Master. Hij vergaf zijn zus nadat hij leerde dat verlamming niet door hekserij kwam, en stichtte een NGO om medegehandicapten te ondersteunen. Hij kreeg een baan bij Cuttington University, en verdiende al snel meer dan al zijn familieleden bij elkaar. Zijn vader sloot hem weer in zijn hart en maakte zijn succesvolle zoon zelfs enig erfgenaam van de ancestrale boerderij. Drs. G. besefte dat zijn oudere broers hem zouden haten als hij hun baas werd en, wetend dat hij ’s nachts weinig tegen ze zou kunnen uitrichten, verdeelde hij de landjes netjes over die broers. Zelf werd hij na zijn vaders dood familiehoofd. Ja, zei drs. G trots, dankzij onderwijs was hij uit de goot gekropen en was hij nu het gerespecteerde familiehoofd. Met zijn eigen vrouw en schare kinderen. Inclusief de twee puberzoons die zijn 100 kilo in de rolstoel al de hele dag over hobbels en trapjes hadden gesleept.

We waren er allemaal stil van. Wat een indrukwekkend verhaal! Maar het begon al te schemeren: hoog tijd om terug naar Monrovia te snellen. We hadden allemaal haast, de chauffeur nog het meest. Hij scheurde over de goede wegen, slalomde zo snel als hij kon over de slechte stukken. We stopten nog voor een ananas bij een stel kinderen aan de kant van de weg. Iets later maakte de chauffeur een noodstop toen twee jongens aan de kant stonden met bloedend beest in hun hand. Bushmeat! Geslachte wilde beesten, een gewilde lekkernij in heel west- en centraal Afrika. De stukken bleken de achterpoten van een hert te zijn. Het was de chauffeur te duur dus we hoefden de auto niet te delen met vleeshompen.

 In het begin van de rit praatten we, maar langzaam werd het stil. Af en toe werd Emmanuel gebeld. Door familieleden, die hij meestal uitfoeterde. Met zijn westerse salaris wisten neven en nichten hem te vinden – hij ondersteunde er een massa die allemaal naar school moesten. Later vertelde hij dat daarom alle bedrijven in Liberia in handen van Libanezen zijn: als een Liberiaan een bedrijf begint komen zoveel familieleden om baantjes en gunsten vragen dat hij zo failliet is. Weigert hij, dan is hij ‘mean’ en breekt het resulterende ostracisme zijn hart. De dag erna hoorde ik nog van de dr N. een verhaal dat mijn hart brak. De oudste zoon van drs. G. had het gemaakt. Hij was naar Monrovia verhuisd voor zijn studie, voor die jaren intrekkend bij een familievriend: de ons bekende dr. N. Daarna had de zoon een baan gevonden bij een westerse NGO. Helaas ben je dan het mannetje, meer nog dan als ambtenaar of succesvol ondernemer. Deze zoon, nu, had zijn bruiloft. Drs G. was er natuurlijk, net als zijn goede vriend dr. N. Ritueel werd de zoon gevraagd wie zijn vader was. “Dr. N.!” had de zoon geantwoord. Terwijl zijn eigen vader erbij zat!, gniffelde dr. N. tegen mij. De gedachte aan de vernedering die G. moet hebben gevoeld, die trotse self-made man, deed me haast fysiek pijn. Ach, valt wel mee, zei een student later me, zo maken ze alleen de verhoudingen duidelijk; baas boven baas, vader boven vader.

 Terwijl ik in de auto keek naar de bomen die in het donker voorbijzoefden dacht ik aan la condition Africaine, de conditie van onze voorouders en van de huidige Afrikaan. Niets werkt omdat niemand echt werkt; niemand werkt omdat toch niets werkt. Het bestaan is precair; een slechte oogst, een ontslagen suikeroom en je leidt honger. Onderwijs is een loterij: het kan je uit de goot redden, maar met slechte leraren kan je net zo goed na tien jaar ongeletterd blijken. In de familie wordt liefde overschaduwd door de noodzaak gunsten te vragen en te geven. Respect komt met rijkdom, als je niet rijk bent is er behalve geen respect ook geen liefde. In de donkere auto klonk op het (private!) radiostation ondertussen de warme stem van DJ Chris Brown, die verzoeknummertjes deed. Luisteraars belden met hun wensen, en moesten het standaardpraatje maken bij zulke shows. Vertellen wie ze waren en waarom ze nu net Brandi wilden horen. Uit elk praatje klonk hetzelfde, dat wat ik overal op straat zag, uit alle verhalen hoorde, en elke dag uit de lach van mijn studenten bleek. Een intense levensvreugde.
 

Terug