Newark

Februari 2003

Mijn eerste week in Amerika zit erop. Ik heb nog geen huis, geen salaris, geen telefoon, maar al wel email gelukkig, en een ziekenfonds. Eentje voor buitenlandse studenten, waarin dekking beperkt is tot noodgevallen en zwangerschap, en verder alle vormen van psychotherapie die je je kunt voorstellen. Kennelijk gaat het meestal niet zo goed met de buitenlanders hier.

En inderdaad, Newark is geen vrolijkmakende stad. Sinds hevige rassenrellen in de jaren ’60 is Newark verlaten door de middenklasse. Met hen vertrok het normale stadsleven. In het centrum zijn enkel nog discountwinkels over; ondanks lange wandelingen heb ik in de stad geen enkele boekenzaak gevonden, geen supermarkt, en geen winkel waar ze groenten verkochten (toen ik een portier vertelde waarom ik een supermarkt zocht zei hij verbaast: “But take-out Chinese has vegetables in it!”). De discount stores –genre grote zakken chips, medicamenten en kitchklokken- hebben meestal een vervaarlijke portier. Om zeven uur sluiten ze allemaal, en daarna lopen alleen nog daklozen en ik over straat. Nomale mensen zoeven voorbij in hun SUV, vast op weg naar hun bungalow in een suffe buitenwijk.

Rutgers-Newark is ook geen vrolijkmakende campus. Het is een verzameling lage, karakterloze betonklotsen, doorsneden door drukke straten. De studentenpopulatie is zeer divers – moslims, zwarten, Indiers, blanken, geen groep domineert. Dat is meteen het belangrijkste verkoopargument van de universiteit (‘most diverse campus nationwide!’). Van andere kwaliteiten moeten ze het ook niet hebben: in de academische rankings heeft de universiteit zich net opgewerkt van de laatste tot de derde kwart.

Het instituut waar ik werk is een soort uitpost van academische beschaving in deze woesternij. Met het geld van een supermarktkoning, naar wie het gebouw genoemd is (een gevluchte Newarker met spijt?), zijn een aantal grote breinen bij elkaar gezet om de neurowetenschappen tot een hoger plan te trekken. En hier spelen ze dan; ze kunnen doen en laten wat ze willen en een nieuwe onderzoekslijn uitzetten op elk moment van de dag (net nog tijdens lunch besloot mijnn nieuwe baas tot het bouwen van een rattenzwembad). Ze bedruipen zichzelf door het geld dat ze binnen halen uit fondsen, en trekken zich verder weinig aan van de rest van de uni of van de stad. Iedereen woont ver weg, in Manhattan of de dorpen van landelijk New Jersey.

En dat ga ik ook doen. Met enige spijt, want langzaam ga ik Newark leuk vinden. Het doet me een beetje denken aan de Pontanusstraat om 3.00 's nachts, vemoed ik. Maar ik hoef me alleen maar mijn eerste keer in Newark te herinneren om zeker te weten dat ik hier niet wil wonen. Op terugweg naar het station liep ik door een groepje homeboys, de meesten met enorme koptelefoons op. Ze keken me aan alsof ik stoorde, en terwijl ik door ze heen liep zei er eentje; "Hey, tall gay, you're droppin' somethin'". Toen ik omkeek: "sucker". Een Mokumse junk met een mes is niet half zo bedreigend als zo'n kleutergrapje in een groep Newarks schorum.

Vorige week zondag kwam ik aan in New York. De eerste drie dagen heb ik gelogeerd bij vrienden van een tante, in een zeer genoeglijk huis in een hele leuke Brooklynbuurt. Ik had alle tijd ervan te genieten, omdat nog dezelfde avond zo'n sneeuwstorm losbarstte dat heel de stad twee dagen plat lag. Ook de universiteit was gesloten. Er zat niets anders op dan te genieten van het witte pak en de autoloze stad - alle wagens waren bedolven onder een meter sneeuw. Brooklyn is gelukkig geweldig, gemeleerd en vol met aardige mensen. Ik heb in een cafee naar een aantal revolutionaire studenten zitten luisteren die concurrerende marxistische splintergroepen aan het bespreken waren, en ik ben naar de Russen gegaan in Brighton Beach, waar de meeste winkels uithangborden hebben in het Cyrillisch. En ik heb lange leuke gesprekken gevoerd met mijn eveneens tot nietsdoen veroordeelde gastheren.

Woensdag begon het dan echt. Om niet dagelijks drie uur te hoeven forenzen ben ik naar de YMCA verhuisd in Newark, en daarna ben ik naar mijn eerste werkdag gegaan. Voornamelijk gevuld met papierwinkels. Voor een zo vrij land is Amerika verrassend bureaucratisch, met een erg langzame, logge, inflexibele overheid. Misschien is dat wat je krijgt als je te weinig geld aan je staat spendeert, dan moeten de burgers het werk doen. Maar los daarvan is werken hier niet zoveel anders dan aan de UvA. Behalve dat de kantoren geen ramen hebben (als je professor wordt mag je aan een raam, een goede motivatie om maar te blijven rennen in de wetenschappelijke tredmolen).

Ik kan het uithouden in de YMCA. Hij ligt lekker dicht bij de uni, en er is een zwembad waarin ik om de dag wakker word. In mijn kleine kamertje is een bed, een bureautje en een TV waarop ik 1 kanaal goed kan ontvangen (de afstandsbediening werd te vaak gestolen om ze nog uit te geven, en zonder dat kan ik de andere kanalen niet goed afstellen). Ik zit op het eind van een lange gang met iets als dertig soortgelijke kamers. We delen douches & microwave, maar ik zie mijn medebewoners nauwelijks. De Y, M en C staan voor young, men en christian, en het was bedoeld als een hotel voor nette jonge mannen. Zoals studentenhuisvesting te ver van het Amsterdamse centrum, is de Y een echter vergaarbak geworden voor iedereen die niets beters kan vinden. Uitgeleefde werkloze dames, mannen van een paar honderd kilo, wat zonderlingen. Ik heb niet echt last van ze. Meer van het feit dat er de hele dag warme vettige lucht de kamer in wordt geblazen en de ramen nauwelijks open kunnen, en van de medelijdende blik in de ogen van zelfs de fastfoodbediende als ze horen dat ik in de 'Y' slaap.

Ik werk tot laat op werkdagen, en 's avonds en in het weekend kijk ik naar dat ene kanaal op mijn TV. Het is publieke TV, een kruising tussen de BBC en het vrije kabelkanaal in Amsterdam. Je kan er leuke documentaires zien 's avonds laat, maar in het weekend waren er alleen kookprogramma's en hoe-bouw-ik-een-hek-om-mijn-tuin selfhelp. Gelukkig is er in het weekend zo'n 150 blz. New York Times om door te werken, dus afleiding genoeg. Zo kan ik het nog wel even volhouden, maar binnenkort moet het toch veranderen. Daarom ben ik druk appartementen zoeken. Tegen de tijd van het volgende rapport hoop ik dus gemoedelijk in Jersey City te wonen, halverwege tussen hier en Manhattan (daar heb ik een huis gezien in een leuke buurt van met andere immigranten). Dan heb ik vast een entertainment center, zoals ze het hier noemen, met 100 kanalen, eet ik elke dag eigen gekookte groenten, en zegt nooit iemand meer dat ik iets heb laten vallen als dat niet zo is.

Samenvattend: het gaat redelijk, mijn leven hier is in ieder geval interessant genoeg. En volgende keer is alles beter.

Martijn

P.S.: als antwoord op vele vragen, nee, ik merk weinig van de oorlogsstemming hier. De meeste mensen die ik gesproken heb laten duidelijk merken tegen de oorlog te zijn, en de rest vraag ik het maar niet. Wel merkte ik bij sommigen een lichte paniek over terrorisme. Heb jij al met je familie afgesproken waar je elkaar ziet na een aanslag? Heb je al een 'safe room' afgeplakt met plastic? Ik dacht dat iedereen moest lachen om zulke vragen, maar ze zijn er hier echt mee bezig.

Terug