23 maart '03
Mijn dagen in de YMCA zijn voorbij. Ik schrijf dit tijdens mijn eerste weekend in Jersey City, waar ik een appartement gehuurd heb half zo groot als dat in Amsterdam voor vijf keer de prijs. Nou ja twee derde van de ruimte, met een stuk comfortabeler badkamer en inclusief ijskast.
Uiteindelijk heb ik drie weken en een paar dagen in de YMCA van Newark geslapen. Als thuisloze, tenminste op dit continent, onder de thuislozen. Het volgende heb ik in mijn laatste dagen daar geschreven:
De Y is groot. Negen verdiepingen met in ieder geval op de mijne en 1 lager 32 kamers per verdieping. Op de elfde slapen gezinnen, veelal ongehuwde moeders met jonge kinderen. Beneden mij lijkt voorbehouden aan oude mannen, en de zevende is voor vrouwen. Mijn verdieping, de vijfde, is gemengd. Er slapen een aantal studenten, een aantal zijn jonge mannen die ik niet zo makkelijk thuis kan brengen, en tenslotte een assortiment losers van beiderlei kunne. Twee dikke mannen waggelen rond in kapotte T-shirts, een schichtige vieze senioor zie ik alleen maar ‘s avonds, als hij op kappotte schoenen naar de microwave sloft om smakeloos uitziende prakken op te warmen. Drie verlopen dames worden elke dag gebeld door hun moeder (dat laatste weet ik omdat ik altijd de telefoon opneem die in de gang hangt; hij is dicht bij mijn kamer en niemand anders doet het ooit). Het zijn precies het soort mensen dat ik machtig interessant vind. Met veel plezier ga ik naar de discount stores in downtown Newark in om dat soort mensen te bewonderen terwijl ze kritisch bestek van een dollar aan het beoordelen zijn.
En toch heb ik bijna niets opgestoken over ze. Ik heb in die drie weken geen gesprek langer dan tien zinnen gevoerd in de Y. Het is niet dat ik niet wil (al heb ik niet zo heel veel moeite gedaan). Ik knik ook altijd zo vriendelijk naar iedereen hier dat ik me niet kan voorstellen dat ik ze afschrik. Niemand converseert hier veel met elkaar, dat is een factor. Maar verder kan ik niet met ze praten gewoon omdat ik ze niet kan volgen. Mijn Engels is niet slecht, dat mag ik toch zeggen? Met het slang van de Newarkse straat kan ik echter niets. Ik moet elke tweede zin vragen wat mijn gesprekspartners zeggen, en zij verstaan mij ook niet. Of beter, ze verstaan me geloof ik wel, maar ze begrijpen niet waarom ik zeg wat ik zeg. Dat probleem had ik ook de eerste keer dat ik in Amerika was. Als je als buitenlander een grap maakt of verrassend uit de hoek wilt komen staren ze je aan: je bent of gek of je kan maar beter een cursus Engels voor beginners volgen. "What's that?" Dan moet je je grap gaan uitleggen, of net doen alsof je iets over het weer zei. Zo ben ik natuurlijk ook met mensen die gebrekkig Nederlands praten. Als je niet begrijpt wat een buitenlander zegt is een grap niet het eerste waar je aan denkt.
Met de jonge mannen wissel ik niet meer dan gemompel. Ze lijken me niet te vertrouwen of niet interessant te vinden. Ze zitten er duidelijk al een tijd, hebben hun kamer helemaal ingericht met eigen meubels Ze zijn cool, en hebben allemaal van die geboetseerde gespierde lichamen die je in reclames van fitnessapparaten ziet. Ze luisteren naar rap (behalve eentje, die luistert naar gospel en zondags naar evangelische preken op TV). Per dag zijn ze een uur bezig met hun haarsculptuur. Ik zou niet eens weten waar ik het met ze over zou moeten hebben. Snelle auto’s?
Dinsdagavond had ik een langer gesprek met een typ van hier, een oudje van een verdieping lager. Ik was al eens met hem in gesprek gekomen in een soort discountsnackbar tegenover het hotel. Het is er vies en ongezellig, maar je kan er iets kleins te eten halen. En het is een stuk gemoedelijker dan de resterende horeca na zeven uur 's avonds, een afhaalchineees waar aggressief kijken junkies congregeren (heeft 'chinezen' in Newark zijn betekenis gekregen?). We kwamen in gesprek omdat hij wilde weten hoe lang ik was, vaste prik hier. "How tall are you? Six feet six? You should play basketball!" Als altijd zei ik dat in Nederland iedereen zo lang is, en dat ik dus geen comparatief basketvoordeel heb. Toen bleek hij Hollands belangrijkste stad, Schiedam, heel goed te kennen.
Dinsdagavond kwam ik hem op straat tegen toen ik terug kwam van werk. Hij wilde net een kopje thee gaan drinken in de discountfebo. Op zijn uitnodiging ben ik mee gegaan, en heb daar in zo'n veertig minuten het grootste deel van zijn leven voorbij horen komen. Hij was geboren op Cuba een jaar of vijfenzestig geleden (hij was erg schimmig over concrete jaartallen, hij wist het niet en het kon hem ook niet meer zoveel schelen). Een boel jaren was hij matroos geweest op een tanker -zo kende hij Schiedam- toen was hij in New Orleans van het schip getrapt en had hij wat jaren gezworven, gewoond in Newark, getrouwd in Canada, veel heen en weer verhuisd, en nu was hij gestrand in Newark (uiteindelijk stranden we allemaal, laat het voor ons niet in een Y zijn!). Dat was ongeveer wat hij ervan wilde vertellen, naast een hoop anecdotes over de rare mensen die hij zoal tegen was gekomen. In het begin stelde ik veel vragen, maar vaak verstond hij ze niet en anders kon ik zijn antwoord niet volgen, meestal een zin die tegelijk opmaat was voor weer een andere anecdote
Het gesprek, en mijn hele verblijf in de Y, maakte me duidelijk dat ik niet zo erg deug als froebelantropoloog. Misschien ben ik er te voorzichtig voor, te bang om iets verkeerds te zeggen. Misschien ben ik te snel, en zit er iets in de maand vertrouwen winnen waarmee echte antropologen hun veldonderzoeken beginnen. Maar dat maakt het toch antropologenbestaan toch een stuk minder romantisch, dat je het eerst een maand over het weer moet hebben met de Amazoneindianen voordat ze je inwijden in hun kannibalencultuur.
Inmiddels zit ik dan in Jersey City, in een stuk normalere buurt dan downtown Newark. Binnen een minuut lopen zitten een kruidenier, een kapper en een drankwinkel, wat je zoal verwacht in een stad. Het is een immigrantenbuurt. De poolhal en het restaurant in mijn straat zijn Dominicaans, de kruidenier wordt gerund door Pakistani, het cafee op de hoek is als ik het goed zag Iers, en een blok verder zitten een Poolse bakker, slager en delicatessenwinkel (die laatste heet “Europa” – stelletje usurpatoren, die Polen). Van thuisloze onder de thuisloze ben ben ik gepromoveerd tot immigrant onder de immigranten, en dat bevalt me wel.
Hier mijn adres:
56 Coles Street, apt. 3R
Jersey City, NJ 07302
Tel # (001)201.7987842
Wat jullie vast meer interesseert dan mijn domiciliaire besognes: hoe is het om in een land in oorlog te leven? Ik weet het niet, want hier in de homeland merk je er maar weinig van. Er rijdt meer politie rond, en patrouilles zijn tegenwoordig met machinegeweren bewapend. Maar dat is al decennia het geval in bijvoorbeeld Frankrijk. Verder waren de media natuurlijk vol van de oorlog - net als in Europa, vast. Na twee dagen duurde de oorlog echter al te lang voor televisie; de meeste zenders zijn dus weer terug bij het normale dieet van reality shows en eindeloze herhalingen van politievideo's met high speed achtervolgingen. Op straat en op werk hoor ik ook weinig over de oorlog. Mensen praten er niet veel over, waarschijnlijk omdat ze niet weten wat de anderen ervan vinden. Inmiddels is 70% van de Amerikanen voor de oorlog, maar de 30% tegenstanders en neutralen zijn oververtegenwoordigd in liberale oases als New York. In een groep hier zullen er dus altijd voor- en tegenstanders zijn, en dat inhibeert mensen. In mijn 'lab' vermijden we het onderwerp bijvoorbeeld, omdat de baas een andere opvatting heeft dan een groot deel van zijn staf.
Er zijn nog wel anti-oorlogdemonstraties. Hele grote op Manhattan, en zielige kleine in Newark. Daar liepen een weekend geleden een honderdtal mensen een heel kort rondje in een centrum, misschien in de hoop dat ze met duizenden zouden lijken voor de voorbijrazende automobilisten. Het maakt sowieso weinig indruk op me. Wat moet je nu nog demonstreren? Dat de soldaten weer terug moeten naar Koeweit, met excuses aan Saddam? Ik denk dat de liberals hun plakkaten en spandoeken beter in de schuur kunnen zetten voor het volgende avontuur van George W. Dat duurt vast niet zo lang meer.
Nog iets over de media en Irak. De oorlog toont pijnlijk duidelijk wat Amerika mist: een BBC. De World Service is hier gelukkig nooit ver weg. Als de publieke radiostations niets te melden hebben geven ze hun zender over aan de BBC. Dat zijn de tijden dat ik echt iets leer, met berichten uit andere landen dan de USA en Irak, en analyses die wat verder gaan dan waar de troepen over vier uur zullen zijn. Amerikaanse zenders concentreren zich op breaking news, dat eindeloos herkauwd wordt (zo zijn ze goed ingesteld op zappers, vermoed ik). Verder is er een boel human interest, verhalen van wat de soldaten voor ontbijt krijgen en hoe de familie thuis aankijkt tegen hun heroische taak. Veel Amerikaans nieuws is bovendien niet alleen op kleuterniveau, maar ook geschilderd in felle kleuterkleuren. Regelmatig wordt besproken of anti-oorlogsdemonstraties niet verboden zouden moeten worden, af en toe wordt terugverwezen naar Frankrijks asociale blokkadepolitiek die vrede onmogelijk maakte, en het lachwekkende gebruik van de term coalition forces voor Amerikaanse divisies wordt ongegeneerd overgenomen (coalition of the bullied, hoorde ik op de BBC, een treffende term voor eilanden in de stille zuidzee, kandidaten voor de NAVO, en bange ontwikkelingslanden. maar wat doen de mr. Forza Corruptia en Harry Potter daar tussen?). Op 1 Amerikaanse zender valt het overigens allemaal wel mee –ACB News. Dat wordt dan ook door woedende republikeinse congresleden gebrandmerkt als onpatriottisch.
Het is de dwang van de kijkcijfers in het extreme. De media manipuleert de kijker hier niet. Ware het maar zo! De kijker manipuleert de media: als je niet zegt wat de mensen willen horen kijk ik wel naar het nieuws een kanaal verder. Sowieso, als mij wat froebelpoliticologie wordt vergeven, is Amerika niet een voorbeeld van te weinig democratie maar van teveel. Amerika is wat er gebeurt als politici luisteren naar wat het volk wil, als het volk de rechtszaken beslist, en als de media het volk bedienen zoals het bediend wil worden. Kijk naar rechtszaken hier: zielige, nette mensen krijgen 32 millioen dollar omdat een muur in hun huis beschimmeld was, niet zo zielig, vieze mensen krijgen 25 jaar gevangenisstraf voor drie winkeldiefstallen. Kijk naar politiek: zielige, overwerkte tweeverdieners krijgen belastingverlaging, niet zo zielige, Spaans sprekende binnenstadbewoners moeten het maar met wat minder geld voor hun scholen doen. Het volk geeft en het volk neemt, en in Amerika gaat dat er net wat extremer aan toe dan bij ons. Tot nu toe dan, want is demagogie niet het logische eindpunt van democratie? Of vormen wij Europeanen een ander soort volk? Ik ben er nog niet uit.